Weblogs

Ontwikkelingssamenwerking: over Pretenties, Prioriteiten en Poen

Een duik in het budget voor ontwikkelingssamenwerking maakt me niet vrolijk. Het budget zit zowat op slot: vanwege verplichte afdrachten (aan de EU en voor binnenlands gebruik) en vanwege het gebrek aan manoeuvreerruimte door in het verleden genomen beslissingen. Bovendien:  we zien al tien jaar een aanzienlijke neerwaartse trend  in de  budgettaire ruimte.

Ruim een kwart van het voor 2021 beschikbare budget van ongeveer € 4,3 miljard bestaat uit  drie verplichte afdrachten. Zo’n € 550 miljoen gaat naar Brussel als verplichte bijdrage aan de EU begroting voor internationale samenwerking met meer dan 125 landen. Vanwege het meerjarig financieel kader van de EU zal de afdracht in de komende jaren stijgen. Die afdracht verschaft ons overigens een argument om de eigen Nederlandse OS-activiteiten te beperken tot slechts enkele landen en thema’s die aansluiten bij de Nederlandse prioriteiten.

Twee andere vaste afdrachten betreffen de kosten van eerstejaars  opvang van asielzoekers in Nederland en de kosten van ambtenaren in Den Haag en op de ambassades die zich bezig houden met ontwikkelingssamenwerking. Dit jaar kost dat  ruim € 600 miljoen, ongeveer gelijk verdeeld over beide categorieën.

De resterende ruimte in het budget voor het realiseren van eigen beleid blijkt  grotendeels  vastgetimmerd  door  in het verleden genomen beslissingen, of juist het gebrek daaraan. Al twee decennia poogt men het budget  te focussen op een beperkt aantal landen en thema’s, aansluitend bij de Nederlandse expertise en politieke prioriteiten. In de praktijk brengt elke nieuwe bewindspersoon,  wereldconferentie en calamiteit nieuwe accenten en prioriteiten met zich mee, die eenvoudig op de oude gestapeld worden. Principiële heroverweging, laat staan  het stoppen, van oude verplichting is een zeldzaamheid. Zoiets is tijdrovend, dus weinig inspirerend voor een politicus met korte doorlooptijd. Daarnaast zit achter elke uitgave behalve een direct belanghebbende veelal ook een belangengroep, het parlement, een NGO, een ministerie etc.   Bovendien: ontwikkelingsprocessen kosten tijd. Het al te snel afkappen van een activiteit komt vaak neer op het weggooien van het kind met het badwater. Maar het resultaat van dit alles is een gebrek aan ruimte voor het opschalen van  succesvolle activiteiten of het werkelijk aanpakken van nieuwe zaken. Dat schreeuwt om aandacht en een krachtige, maar zorgvuldige hand.

In 2010 bestemde Nederland nog 0,8% van het Bruto Nationaal Inkomen voor officiële ontwikkelingssamenwerking. Daar kwam toen zelfs nog een bedrag van € 500 mln. bovenop voor klimaatactiviteiten. Na een rit op de budgettaire glijbaan  zullen we dit jaar uitkomen op  zo’n 0,53%. Geen wet bepaalt welk percentage nodig is om adequaat invulling te geven aan de gedachte dat de kwaliteit van een samenleving afhangt van de manier waarop er met de zwaksten wordt omgegaan. Wel wordt al decennialang in tal van plechtige verklaringen en wereldomspannende conferenties een bijdrage van 0,7% van het BNI als doel gesteld. Uit eigen ervaring weet ik dat ons land bij de onderhandelingen daarover telkens in de voorhoede van de frontlinie opereerde. Met recht van spreken: we voldeden zelf aan die norm en konden met verve de zo geliefde rol van gidsland spelen. Maar terwijl wij stilletjes van ons voetstuk zijn afgedaald is de armoede in de wereld sterk  gestegen. Naar verwachting zet die stijging  zich nog jaren voort vanwege de  sociaaleconomische gevolgen van de COVID-19 pandemie. Het is daarom hoog tijd om die fatsoensnorm van 0,7%  weer in ere te herstellen. Als we dat direct doen zou er voor 2021 ongeveer €1 miljard extra beschikbaar komen. Veel geld, maar ongeveer gelijk aan het bedrag dat in ons eigen land wordt besteed aan het uittesten van de heropening van de samenleving na de lock-down.

In zijn briefadvies “Nederland en de wereldwijde aanpak van COVID-19”  bepleitte de AIV al in juni 2020  om € 1mld onmiddellijk beschikbaar te maken om de acute nood in ontwikkelingslanden te lenigen en stelde de raad  voor het budget voor ontwikkelingssamenwerking structureel te verhogen.  Niet alleen om solidariteit te tonen, maar ook uit welbegrepen eigenbelang. De pandemie is immers pas onder controle als deze overal ter wereld onder controle is.  Als open economie heeft  Nederlands er bovendien last van als  delen van de wereld geen deel hebben aan economisch herstel. Als we ons echt “uit de crisis willen investeren” hoort daar ook een investering in internationale samenwerking bij! Regering en Parlement hebben tot nu toe teleurstellend minimalistisch op het advies gereageerd, vooral door OS-geld van komende jaren nu vast uit te geven, waardoor de ruimte in de toekomst nog kleiner wordt.

Dat doet ook afbreuk aan onze positie op het internationaal toneel. Naast onze actieve bijdrage aan de implementatie van het 3D (defense, diplomacy, development)-beleid in conflictgebieden als  Afghanistan vormde de omvang van ons budget voor ontwikkelingssamenwerking immers een doorslaggevend argument om een stoel te krijgen aan de tafel van de G20 en in de Veiligheidsraad van de VN.

Allemaal goede redenen voor een budgetverhoging!

Blogs op adviesraadinternationalevraagstukken.nl zijn op persoonlijke titel. Een blog geeft niet per se de mening weer van de AIV.